De Heilige Oorlog

16 dansen, en hij danste ook nooit meer. Een andere geliefkoosde ontspanning was het klokkenluiden. Dit, gevoelde hij, moest ook worden afgeschaft. De godsdienstigheid die hij nu had aangenomen, vereiste dat hij het onmiddellijk opgaf. Toch, hij hield er zoveel van en hij verlangde er zozeer naar, dat hij het weer ter hand nam. Ten laatste evenwel gaf hij aan zijn geweten gewonnen spel en ofschoon hij wel de klokkentoren beklom, hij luidde niet meer. Misschien was het zelfs al erg genoeg zich op de plaats te bevinden. Een van de klokken mocht eens op zijn hoofd vallen als een oordeel Gods. Om dit ongeval te voorkomen, plaatste hij zich altijd zó dat er geen klok maar een balk boven zijn hoofd was. Echter, ook hier gevoelde hij zich niet veilig meer, want door het verschrikkelijke en aanhoudende luiden konden die balken wel eens breken en dan viel hij toch dood. Aldus bevreesd geworden ging hij heen en durfde de deur van de toren nooit meer binnentreden. Hij bleef aan de deurpost staan; maar was hij ook daar wel veilig? De toren mocht eens omvallen en wat dan? Dat was zijn vrees. Doodgeslagen te worden door de Goddelijke gerechtigheid, te sterven als door een oordeel Gods, was in zijn oog zeer erg; daarmee zou zijn belijdenis te schande worden en zijn toegang tot de hemel bemoeilijkt. Hij zou daarom in dit opzicht zijn handen in onschuld wassen. Hij hield woord; hij zag naar het klokkenluiden niet meer om. Zijn weg was nu volmaakt voor de Heere. Een merkwaardige verandering had er plaatsgehad in zijn leven en zijn gewoonten. Hij was nu ten minste zeker van een plaats in het paradijs. De verandering was dan ook wonderdadig, en zijn vrouw kon haar vreugde niet genoeg uitspreken. Nu ging haar huishouden zoals het bij vader ook gegaan was. Haar huwelijksuitzet, die twee boeken namelijk, had vrucht gedragen. De praktijk der Godzaligheid werd belichaamd in het leven van haar man, en De vlakke weg naar de hemel werd door haar John en haarzelf met alle lust en ijver bewandeld. Ongelukkig was het alles zelfbedrog. De zo wonderlijk veranderde en hervormde man zelf is onze zegsman in dezen; hij was niet overgegaan uit de dood tot het leven en aldus een nieuw schepsel geworden in Jezus Christus. Niettegenstaande de verandering in zijn gedrag, was er geen verandering gekomen in zijn hart. Tot op dat ogenblik toe moest hij nog altijd wedergeboren worden door de Heilige Geest. Onder de beschrijvers van Bunyans leven zijn niet allen het met elkaar eens omtrent zijn geestelijk leven. Dat is geen wonder, want hun oordeel hangt af van hun eigen geestelijke ervaring. Sommigen hebben de draak gestoken met H ET LEVEN VAN J OHN B UNYAN

RkJQdWJsaXNoZXIy OTA4OQ==