Ontmoetingen op straat

6 november 2017 | H. Bor

H. Bor vertelt in zijn nieuwe boek over zijn ontmoetingen met mensen op straat. Hoe hij leerde om de bijbelse boodschap eenvoudig te verwoorden, met ootmoed, geduld en liefde. Om in de geest van Christus zielen te winnen voor het Evangelie. Een van de vele ontmoetingen die de oud-evangelist in dit boek beschrijft:
 
Daar zat hij op een stuk karton, met zijn gitaar. Hij zag er niet zo fris uit. Zijn kleren waren eigenlijk maar lompen. Hij leek veel op de verloren zoon. Ik wist het: hij is een zwerver, een dakloze. Naast hem lagen twee grote honden. Die honden zagen er niet zo vriendelijk uit. De mensen liepen dan ook snel voorbij. Soms gooide iemand van ver een muntje in de muts die hij voor zich op straat gelegd had. Ik draaide mijn hoofd een andere richting uit, zodat ik hem niet zag en liep snel door. Een klein eindje verder moest ik opeens denken aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Daar zat een van de paria’s van de maatschappij. Hij was ook mijn naaste. Ik sprak hem niet aan, deed niets! Ik was nu als die priester die tegenover voorbijging. Ik keerde terug en gooide ook een muntstuk in zijn pet. Met een dankbare blik keek hij mij aan. Ik bleef staan en luisterde geduldig naar het Engelse lied dat hij zong. Toen hij klaar was, vroeg ik hem of hij van mij nog een foldertje wilde hebben. Hij knikte en ik gaf het hem.

Toen deed ik iets wat ik zelf niet gedacht had te doen, maar het gebeurde. Ik ging naast hem zitten. Nu stond ik niet boven hem, maar was ik zijn gelijke. We kregen een gesprek over het foldertje. Daar, midden op straat, vertelde ik hem Wie God werkelijk is. Dat God Zijn Zoon gezonden heeft naar de aarde om zondaren te redden en dat hij ook gered kon worden. Ten slotte vroeg hij een Bijbel, die ik hem gebracht heb.

Enkele jaren later was hij als geïnterneerde in de gevangenis gekomen. Hij had niets bijzonders gedaan. Hij had zijn woonadres als geïnterneerde verlaten zonder overleg met justitie. Vanuit zijn cel zag hij mij op de gang lopen. Zijn celgenoot vertelde dat ik de protestantse aalmoezenier was.
Een dag later lag er een rapportbriefje in mijn bus: ‘Meneer de aalmoezenier, wilt u mij bezoeken?’ Zijn naam stond eronder, met als commentaar: ‘De straatmuzikant, met de honden.’ Toen ik even later bij hem op cel zat, vroeg ik hem waarom hij mij wilde spreken.
Hij antwoordde: ‘Ik vergeet nooit dat u op straat naast me wilde zitten.’
Ik antwoordde dat dit kwam doordat God in de Heere Jezus mij op precies dezelfde wijze had opgezocht. Ik wilde niets van de Heere weten, maar Hij kwam met Zijn liefde naast me zitten in mijn leven. ‘De Heere heeft me bij je gebracht en mijn hart vervuld met liefde tot je.’
Wie is mijn naaste?

‘Dank U, Heere, dat U mij bij mijn naaste gebracht hebt’, zei ik in stilte. Want ik was hem voorbijgegaan. Hij was tijdens de diensten in de gevangenis altijd in de kerk. Ook kwam hij later naar de evangelisatiepost.