13
raasthij langshetpolitiebusje.Het zweet loopthemoverderug.
In de spiegel ziet hij dat de bestuurder optrekt en achter hem
aankomt. Daarachter zijn nog meer zwaailichten.
Gespannen kijkt Fernando in zijn spiegel. De zwaailichten
komensteedsdichterbij.Hij trapthetgasdieper in.Zijnhanden
klemmen zich vaster om het stuur.
Daar! Een uitweg! Tussen twee pilaren van een viaduct is een
open stuk. Hij laat het gas iets los. Zonder zich nog verder te
bedenken, gooit hij het stuur naar links. Na een scherpe bocht
komt hij op de andere rijbaan terecht.
Achter hem klinkt opgewonden getoeter. Een auto mist hem
op een haar na.
Aandeanderekant vande snelweg ziet hij eenpolitieautohard
voorbijrijden. In de verte ziet hij nog een zwaailicht naderen.
Gelukkig rijdt er vlak voor hemeen vrachtwagen, waar hij vlak
achter gaat rijden. Nu is het voor de agenten nog lastiger hem
op te merken.
De tweede politieauto raast langs. Fernando haalt opgelucht
adem. Het lijkt erop dat ze hem niet ontdekt hebben. Dat
was kantje boord. Maar hij heeft wat spullen en... het geld is
behouden.
Ben enAstrid, de beide agenten inde politieauto, kijken elkaar
eens aan.
‘De collega’s die voor ons rijden, hebben hem niet gezien.
Volgens mij denkt hij dat hij ons heeft afgeschud.’
‘Het is een slim ventje. Maar ons ontsnapt hij niet,’ reageert
Astrid fel.
Ben antwoordt niet. Met moeite draait hij de auto tussen de
1,2,3,4,5,6 8,9,10,11,12,13